Onderzoek » Promovendi » Barbara de Kort

Introductie

Barbara startte per 1 november 2014 een onderzoek naar de ontwikkeling van de levensbeschouwelijke identiteit van de Marnix Academie. Barbara is sinds 1 november 1994 verbonden aan de Marnix Academie als docent godsdienstige / levensbeschouwelijke vorming, projectleider, opleidingsmanager en lid van het College van Bestuur. Per 1 november is zij teruggetreden als lid van het College van Bestuur om zich aan  te wijden aan het promotieonderzoek, aan de inhoudelijke aansturing van het Centrum voor Praktijkgericht Onderzoek en aan het lectoraat Dynamische Identiteitsontwikkeling. Barbara was van 1977 – 1984 ook als docent in dienst van één van de rechtsvoorgangers van de Marnix Academie: de HPA Jan van Nassau. 

Het onderzoek
Aanleiding
Al meer dan vijfentwintig jaar ben ik – in verschillende functies – werkzaam bij de Marnix Academie en  één van haar rechtsvoorgangers.  De Marnix Academie is  een monosectorale hogeschool / lerarenopleiding voor leraren basisonderwijs te Utrecht. De academie heeft sinds haar ontstaan in 1984 een (protestants-) christelijke identiteit, geënt op de identiteit van de drie rechtsvoorgangers van waaruit de Marnix Academie is ontstaan. In de vijfentwintig jaar van professionele betrokkenheid bij de Marnix Academie heb ik kunnen constateren dat  de levensbeschouwelijke identiteit een identiteit in ontwikkeling blijkt te zijn; in verschillende periodes van de geschiedenis van de academie worden verschillende woorden gebruikt om de levensbeschouwelijke identiteit en zijn er verschillende uitingsvormen van die identiteit. Die constatering maakt nieuwsgierig. Die nieuwsgierigheid heeft betrekking op verschillende aspecten. Allereerst naar de inhoud van de ontwikkeling. Van waaruit heeft de identiteit zich in welke richting ontwikkeld? Wat is de loop van de jaren tot uitdrukking gebracht? De nieuwsgierigheid heeft ook betrekking op vraag wat of wie de ontwikkeling in beweging zet en houdt. Tenslotte is er ook de nieuwsgierigheid naar wat de Marnix Academie (levensbeschouwelijk) wilde en wil  zijn en hoe die levensbeschouwelijke visie en missie theologisch en pedagogisch geduid kunnen worden. Dit aspect is verbonden met het gegeven dat de Marnix Academie een pedagogische academie is. Deze nieuwsgierigheid leidt tot een onderzoeksvraagstelling, waarin theologische, pedagogische en organisatorische vraagstellingen aan elkaar verboden worden.

Probleemstelling                                                                                
Het onderzoek is verbonden aan de volgende centrale probleemstelling: Hoe is de levensbeschouwelijke identiteit van de Marnix Academie in een periode van 30 jaar vormgegeven en  hoe kan de ontwikkeling van het verhaal van de levensbeschouwelijke identiteit van de Marnix Academie gereconstrueerd en geduid worden?

Doelen
De centrale probleemstelling bevat twee componenten: de vraagstelling en de doelstelling van het onderzoek.  De vraagstelling is gericht op het verstaan van de ontwikkeling van de levensbeschouwelijke identiteit van de Marnix Academie. Deze vraagstelling kan door het onderzoek beantwoord worden.  De doelstelling van het onderzoek  is een drievoudige:

  • allereerst is er een persoonlijke doelstelling: vanuit mijn professionele betrokkenheid bij de Marnix Academie wil ik aan het ‘begrijpen’ van deze onderwijsinstelling een bijdrage leveren. Dat begrip kan mogelijk van strategische betekenis zijn voor de organisatie zelf;
  • het onderzoek is daarnaast gericht op de bijdrage die met deze studie geleverd kan worden aan de theorievorming rond de ontwikkeling van een levensbeschouwelijke identiteit van onderwijsorganisaties;
  • tenslotte wordt met deze studie beoogd om, door middel van een theologische en pedagogische benadering van de identiteit en de identiteitsontwikkeling, een bijdrage te leveren aan het verstaan van normatieve aspecten van identiteit en identiteitsontwikkeling.

Aanpak
Op basis van deze vraagstelling en doelstellingen wordt gekozen voor een ‘case study’.  Daarbij wordt aangesloten bij wat Swanborn (2013) over case studies opmerkt: ‘ Als het gaat om beschrijvende en/of verklarende brede vragen over een of ander sociaal proces, en wanneer we weinig afweten van dat proces, en vooral als we geïnteresseerd zijn in het onderlinge gedrag van mensen en de interpretaties die zij aan elkaars gedrag toekennen, en de manieren waarop zij met allerlei problemen omgaan, kunnen we één of meer cases exploreren om het ingewikkelde netwerk van sociale relaties, percepties, opinies, attituden en gedragingen te verhelderen’ (blz. 67).
Omdat het om een specifiek sociaal verschijnsel gaat (identiteitsontwikkeling) en omdat die ontwikkeling veelal in taal (en narratieven) wordt beschreven en voorgeschreven , wordt ook voor een specifieke benadering van het verschijnsel gekozen: de discoursanalyse. Bij discoursanalyse gaat het over taal in de ruime zin van het woord: geschreven en gesproken teksten, beelden, en andere uitingen die als betekenisdrager functioneren. Bij een discoursanalyse gaat het  (veelal) om de manier waarop via taal sociale verhoudingen en identiteiten geconstrueerd worden ( zo bij de Boer en Smaling (2011), blz. 40). In deze studie is de discoursanalyse gericht op het verstaan van de processen en strategieën van identiteitsconstructie en op  de wijze waarop deze constructie het karakter van ‘vanzelfsprekende, ware entiteit’ kan krijgen.

De terminologie ‘vanzelfsprekende, ware entiteit’ verwijst naar een normatief kader. Bij de theologische en pedagogische benadering  van de identiteitsontwikkeling van de Marnix Academie zal met name naar dergelijke normatieve kaders onderzoek gedaan worden. Verondersteld wordt dat het begrip ‘framing’ (uit de discoursanalyse) daarbij dienstig kan zijn.

Als bronnen voor onderzoek zullen relevante literatuur, (instituuts-) documenten, officiële en officieuze uitingen (in allerlei vorm) van de Marnix Academie en interviews (‘oral history’) gehanteerd worden.  Daarbij is aandacht voor het feit dat zowel in documenten als in interviews, datgene wat ‘werkelijk gedacht of gemeend wordt of ervaren is ’ wellicht verhuld blijft. Door een afwisseling van informatieverzameling en analyse te hanteren kan het mogelijk zijn om uitkomsten te verscherpen, bevestigen of te corrigeren. Daarnaast worden diverse vormen van triangulatie (methodentriangulatie, onderzoekerstriangulatie, databronnentriangulatie) gehanteerd.

  • Boer, F. de, Smaling, A. (2011) (red) Benaderingen in kwalitatief onderzoek. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
  • Swanborn, P.G. (2013) Case studies – wat, wanneer en hoe? Den Haag: Boom Lemma Uitgevers

Looptijd
November  2014 – november  2018 (promotie begin 2019?)

Betrokkenen

  • Promovenda: Barbara E. de Kort, hogeschoolhoofddocent Marnix Academie, promovenda Vrije Universiteit
  • Promotores: Prof. Dr. R. R. Ganzevoort VU en  Prof. Dr. S. Miedema  VU

Vragen? Mail Barbara