Als leraar basisonderwijs bevorder je de (sociaal-emotionele, levensbeschouwelijke en morele) ontwikkeling van de leerlingen individueel en in de groep. Je helpt hen een zelfstandig en verantwoordelijk persoon te worden. Als pedagogisch competente leraar ben je je bewust van de manier waarop jij je verhoudt tot jouw persoonlijke waarden en normen, die van de leerlingen, en die van de school en hierop baseer je je keuzes. Daarbij is er een relatie met competentie 1 (interpersoonlijk competent), 5 (samenwerken in een schoolteam), competentie 6 (samenwerken met
de omgeving) en met het normatieve handelen uit competentie 8.
Een leraar die pedagogisch competent is, creëert een veilige leef- en leeromgeving. Hij kan dat onder andere op basis van kennis van de levensbeschouwelijke/religieuze ontwikkeling van leerlingen (relatie met pedagogische competentie DCBO). Hij komt tegemoet aan de basisbehoeften van de leerlingen: relatie, competentie en autonomie.
Daarbij kun je de uniciteit van het kind waarderen (relatie met bekwaamheidseis 1e, pedagogische competentie DCBO). Je hebt een pedagogische basishouding die zichtbaar is in sensitief, responsief gedrag en het hebben van hoge verwachtingen van en vertrouwen in iedere leerling.
Pedagogisch competent betekent ook dat je in staat bent de geëigende pedagogische middelen in te zetten.