Als leraar basisonderwijs zorg je ervoor dat er in je groep een prettig leef- en werkklimaat heerst. Een leraar die interpersoonlijk competent is, kan de principes van basiscommunicatie in de groep toepassen. Hij geeft op een goede manier leiding, schept een vriendelijke en coöperatieve sfeer. Hij bevordert de zelfstandigheid van de leerlingen en zoekt daarom in de interactie met hen een goede balans tussen:
-
leiden en begeleiden;
-
sturen en volgen;
-
confronteren en verzoenen;
-
corrigeren en stimuleren.
Daarbij is respect voor de ander (en Ander) wezenlijk. Wie interpersoonlijk competent is, weet met diversiteit om te gaan. Interpersoonlijk competent zijn speelt ook een rol in de omgang in het team, met ouders en de (school-) omgeving. Het betekent eveneens dat je feedback kunt hanteren. De omgang met de ander is dialogisch van aard en gericht op betekenisverlening.
Interpersoonlijk competent heeft een nauwe relatie met competentie 2 (pedagogisch competent), competentie 5 (samenwerken in een schoolteam), met competentie 6 (samenwerken met de omgeving) en met competentie 8 (het normatieve handelen en het inspireren van leerlingen).